Terug naar overzicht
Reflectie & Begeleiding · 7 min

Het ABCD-model voor reflectie: zo gebruik je het met mbo-studenten

CP

Redactie ClassPilot

24 oktober 2026 · 7 min

Een student krijgt op stage kritiek van zijn begeleider en meldt zich de volgende dag ziek. In het reflectieverslag staat: "De begeleider deed onaardig, dus ik had geen zin meer." Dat klopt vast, maar het slaat een stap over. Tussen de kritiek en het ziekmelden zat een gedachte, en die gedachte bepaalde wat de student deed.

Het ABCD-model maakt die stap zichtbaar. Het komt uit de rationeel-emotieve therapie van Albert Ellis en is in het onderwijs een eenvoudig reflectiemodel geworden: vier letters, vier vragen, en een student die leert dat zijn uitleg van een gebeurtenis bepaalt hoe hij reageert.

Wat is het ABCD-model?

Het ABCD-model deelt een situatie op in vier stappen. Je begint bij wat er feitelijk gebeurde, kijkt daarna welke gedachte de student erbij had, wat die gedachte opleverde aan gevoel en gedrag, en tot slot of die gedachte eigenlijk klopt.

  • A, activerende gebeurtenis: wat gebeurde er? Alleen de feiten, zoals een camera het zou opnemen.
  • B, belief of gedachte: wat dacht je op dat moment, over de situatie of over jezelf?
  • C, consequentie: wat voelde je en wat deed je daarna?
  • D, disputeren: klopt die gedachte? Welke andere gedachte had ook gekund, en wat had die opgeleverd?

Sommige versies voegen een E toe, voor het effect van de nieuwe gedachte. In de klas is ABCD meestal genoeg.

Een voorbeeld uit de stage

Neem de student uit de inleiding. Zo ziet zijn reflectie eruit als hij het model volgt.

  • A: mijn stagebegeleider zei dat mijn rapportage onduidelijk was en dat ik hem opnieuw moest schrijven.
  • B: ik dacht: ik kan dit gewoon niet, en zij vindt mij niks.
  • C: ik schaamde me, ik ben die middag stil geweest en heb me de volgende dag ziek gemeld.
  • D: ze had het over één rapportage, niet over mij. Ze vroeg om een nieuwe versie, dus ze verwacht dat ik het kan. Als ik dat had gedacht, had ik gevraagd wat er precies onduidelijk was.

Het verschil met het eerste verslag is groot. De student beschrijft nu niet alleen wat de begeleider deed, maar ook wat er in zijn eigen hoofd gebeurde. Precies daar kan hij de volgende keer iets anders doen.

Bij A schrijf je op wat er gebeurde. Bij B schrijf je op wat jij ervan maakte.

Vragen per letter

Studenten vinden het lastig om de letters uit elkaar te houden. Met een of twee vaste vragen per letter gaat het beter.

A: de gebeurtenis

  • Wat gebeurde er precies, en wie zei wat?
  • Zou iemand die erbij stond het ook zo beschrijven?

B: de gedachte

  • Wat ging er op dat moment door je hoofd?
  • Wat zei je tegen jezelf over wat er gebeurde?

C: de consequentie

  • Wat voelde je, en hoe sterk op een schaal van 1 tot 10?
  • Wat deed je daarna, of wat liet je juist?

D: disputeren

  • Welk bewijs heb je voor je gedachte, en welk bewijs ertegen?
  • Wat zou je tegen een klasgenoot zeggen die dit dacht?
  • Welke gedachte had je meer geholpen?

Zo gebruik je het ABCD-model in de klas

Je kunt het model op drie manieren inzetten, van licht naar uitgebreid.

Als werkblad bij een reflectieverslag

Geef studenten een blad met vier kolommen en laat ze één situatie van de afgelopen week invullen. Bespreek in tweetallen alleen kolom B en D. Daar zit het leren, en daar zijn studenten het minst aan gewend.

In het mentorgesprek

Komt een student met een verhaal over iets wat misging, loop dan hardop de letters langs. Je hoeft het model niet te noemen. Vraag eerst wat er gebeurde, dan wat hij dacht, dan wat hij deed. Meer over de opbouw van zo'n gesprek staat in het artikel over het mentorgesprek in het mbo.

Klassikaal met een voorbeeld

Neem een herkenbare situatie, zoals een groepsgenoot die zijn deel van de opdracht niet inlevert. Laat de klas drie verschillende B's bedenken en kijk samen welke C daarbij hoort. Zo zien studenten dat dezelfde A heel verschillend kan aflopen.

Geef de reflectie een startpunt

Laat studenten vooraf een gratis test doen. Ze hebben dan woorden voor hoe ze werken en samenwerken, en dat maakt de stap naar B en D kleiner.

ABCD of STARR?

Veel mbo-opleidingen werken met STARR: situatie, taak, actie, resultaat en reflectie. STARR richt zich op wat je deed en wat dat opleverde. Het ABCD-model richt zich op wat je dacht en hoe die gedachte je gedrag stuurde.

De twee vullen elkaar aan. Gaat het om een praktische vaardigheid, zoals een overdracht of een presentatie, dan past STARR. Gaat het om een situatie waarin een student vastliep op spanning, boosheid of onzekerheid, dan levert het ABCD-model meer op. Wie het denken over leren breder wil bespreken, kan ook de leercyclus van Kolb erbij pakken, waarin reflecteren een vaste stap is.

Wat je beter niet doet

  • Gevoel bij A zetten. "Ik werd boos" is een C. Laat studenten A beschrijven alsof ze er niet bij waren.
  • D invullen voor de student. Een gedachte die jij aanreikt, neemt de student niet over. Stel de vraag en wacht.
  • De gedachte afkeuren. Bij D onderzoek je samen of een gedachte klopt en of hij helpt. Een student die zich veroordeeld voelt, stopt met eerlijk invullen.
  • Het model gebruiken bij zware problemen. Bij aanhoudende somberheid of angst hoort een student bij de zorg op school. Een werkblad is dan niet genoeg.

Veelgestelde vragen

Waar staan de letters van het ABCD-model voor?

A staat voor de activerende gebeurtenis, B voor belief of gedachte, C voor consequentie (gevoel en gedrag) en D voor disputeren, het onderzoeken of de gedachte klopt.

Wat is het verschil tussen het ABCD-model en het G-schema?

Ze lijken op elkaar. Het G-schema werkt met gebeurtenis, gedachten, gevoel, gedrag en gevolg en is vooral een manier om een situatie uit te pluizen. Het ABCD-model heeft met de D een vaste stap waarin de student zijn gedachte ter discussie stelt.

Vanaf welke leeftijd werkt het ABCD-model?

In het voortgezet onderwijs en het mbo werkt het goed. Jongere leerlingen kunnen A en C meestal wel benoemen, maar vinden het nog lastig om hun gedachte als losse stap te zien.

Conclusie

Het ABCD-model leert studenten dat er tussen wat er gebeurt en wat ze doen een gedachte zit. Laat ze A feitelijk beschrijven, B eerlijk opschrijven en bij D zelf zoeken naar een gedachte die meer helpt.

Wil je reflectie een vaste plek geven in je begeleiding, lees dan ook het artikel over studieloopbaanbegeleiding in het mbo.

Reflectie MBO Begeleiding