Het mentoruur staat op maandag het derde uur in het rooster. Je hebt vijftig minuten, een klas van 24 en geen methode. Je zoekt op mentorles ideeën, vindt een lijst met kennismakingsspellen uit 2014 en zet uiteindelijk een filmpje op over sociale media.
Dat is niet omdat je geen zin hebt. Het is omdat een mentorles het enige uur is waar geen leerdoel onder ligt, terwijl je er wel het meeste mee kunt.
Hieronder staan twaalf werkvormen, geordend op wat je klas op dat moment nodig heeft. Bij elke werkvorm staat hoeveel tijd hij kost en waar hij op stukloopt. Je hoeft ze niet op volgorde te doen; je hoeft alleen te weten in welke van de vier fases je klas zit.
Kies eerst de fase, dan pas de werkvorm
De meeste mentorles ideeën mislukken niet omdat de werkvorm slecht is, maar omdat hij op het verkeerde moment komt. Een kwetsbare deelronde in week twee levert stilte op. Datzelfde gesprek in november levert soms een half uur op.
Loop daarom kort deze vier vragen langs voordat je iets kiest.
- Kennen ze elkaar bij naam en weten ze iets van elkaar? Zo niet: fase 1.
- Zijn er groepjes die niet met elkaar praten, of ligt er iets onder? Fase 2.
- Loopt het sociaal, maar komt het werk niet af? Fase 3.
- Loopt alles en is de vraag vooral waar ze naartoe gaan? Fase 4.
Een werkvorm die niet aanslaat is bijna nooit een slechte werkvorm. Hij is meestal twee maanden te vroeg of drie maanden te laat.
Fase 1: elkaar leren kennen (week 1 tot 3)
Het doel is niet gezelligheid. Het doel is dat iedereen straks iets durft te zeggen waar de rest bij is. Daarvoor moet je eerst weten wie er naast je zit.
1. Twee waarheden en een leugen, maar dan met bewijs
Iedereen schrijft drie uitspraken over zichzelf op, waarvan er één niet klopt. De klas raadt welke. Nieuw is de laatste stap: wie geraden is, moet bij de twee ware uitspraken uitleggen hoe het zat. Daar zit het echte kennismaken.
Tijd: 20 minuten voor een halve klas, 35 voor een hele. Loopt stuk op: studenten die niets over zichzelf willen delen. Geef die de rol van jurylid.
2. De lijn door het lokaal
Je noemt een uitspraak en de klas gaat op een denkbeeldige lijn staan tussen helemaal eens en helemaal oneens. Begin licht (ananas hoort op pizza), eindig bij iets dat ertoe doet (ik durf het te zeggen als ik iets niet snap).
Tijd: 15 minuten. Loopt stuk op: te snel te zwaar. Vier lichte stellingen voor je de eerste echte stelt.
3. Het klasrapport als kennismaking
Laat de klas vooraf een korte test doen en bespreek de uitkomsten als groep in plaats van per student. Je praat dan over verschillen zonder dat iemand persoonlijk in het midden staat. Hoe je dat opzet, staat in klasrapport gebruiken in je mentorles.
Tijd: 10 minuten invullen, 30 minuten bespreken. Loopt stuk op: een uitslag als etiket gebruiken. Het is een opening, geen conclusie.
Fase 2: sfeer en veiligheid (week 4 tot de herfstvakantie)
Rond week vier is de beleefdheid eraf en zie je hoe de groep echt in elkaar zit. Dit is het moment om afspraken te maken die later houden.
4. Groepsafspraken in vier woorden
In groepjes van vier: bedenk vier woorden die beschrijven hoe jullie met elkaar omgaan als het goed gaat. Daarna kiest de klas er vier uit die op de deur gaan. Zelf gekozen woorden worden nageleefd; regels van de mentor niet.
Tijd: 30 minuten. Loopt stuk op: woorden als respect. Vraag door tot er staat wat je iemand ziet doen.
5. Het anonieme vragenbriefje
Iedereen schrijft één vraag of opmerking over de klas op een briefje. Jij leest ze voor. De klas reageert. Je hoort in tien minuten wat je in tien gesprekken niet hoort.
Tijd: 20 minuten. Loopt stuk op: één grap die de toon zet. Lees de briefjes vooraf door en kies de volgorde.
6. Wat doe je als je het niet snapt?
Een gesprek over één concrete situatie: je snapt de opdracht niet en de docent heeft hem net uitgelegd. Wat doe je? De antwoorden lopen ver uiteen, en dat is precies de opbrengst. Meer hierover in psychologische veiligheid in de klas.
Tijd: 25 minuten. Loopt stuk op: sociaal wenselijke antwoorden. Vraag wat ze vorige week echt deden, niet wat je hoort te doen.
Een mentorles met inhoud, zonder voorbereiding
Laat de klas een gratis test doen en gebruik de uitkomst als lesmateriaal. Studenten vullen in zonder account, jij hebt meteen een onderwerp dat over henzelf gaat.
Fase 3: werkhouding en plannen (na de herfstvakantie)
Dit is de periode waarin de eerste deadlines gemist worden. Werkvormen over plannen slaan nu aan, omdat het probleem net echt is geworden.
7. De week terugrekenen
Iedereen pakt de eerstvolgende deadline en rekent terug: wat moet er af zijn op zondag, op donderdag, vanavond. De meesten ontdekken dat vanavond al te laat is.
Tijd: 20 minuten. Loopt stuk op: studenten zonder deadline in beeld. Zorg dat je zelf drie deadlines paraat hebt.
8. Het uitstel-inventarisatierondje
Iedereen schrijft op wat hij deze week het langst voor zich uit heeft geschoven en wat hij in plaats daarvan deed. Je verzamelt de tweede kolom op het bord. Die lijst is herkenbaar en levert een gesprek op dat niet moraliserend wordt. Achtergrond: uitstelgedrag bij studenten.
Tijd: 25 minuten. Loopt stuk op: jouw reactie op het eerste eerlijke antwoord. Reageer niet met een tip.
9. Vijftien minuten echt werken
Geen uitleg, geen gesprek: iedereen pakt de taak die het langst blijft liggen en werkt er vijftien minuten aan, telefoon omgekeerd op tafel. Daarna twee minuten nabespreken: hoeveel is er af, en wat had je gedacht?
Tijd: 20 minuten. Loopt stuk op: studenten zonder materiaal bij zich. Houd drie opdrachten achter de hand.
10. Executieve functies in beeld brengen
Laat de klas de Executieve Functies-test doen en bespreek welke functie in deze klas het zwakst scoort. Vaak is dat starten of tijd inschatten, en dan weet je waar je de rest van het jaar op stuurt.
Tijd: 15 minuten invullen, 25 bespreken. Loopt stuk op: per student bespreken. Doe het op klasniveau.
Fase 4: loopbaan en richting (tweede helft van het jaar)
Loopbaanoriëntatie in de mentorles wordt zelden gered door een werkboek. Deze twee werken zonder.
11. Het beroep van iemand die je kent
Iedereen beschrijft het werk van iemand uit zijn omgeving: wat doet die persoon op een dinsdag, wat vindt hij eraan, wat zou jij er niet aan vinden. Concreter dan elke beroepenlijst, en het gesprek gaat vanzelf over wat ze zelf willen.
Tijd: 30 minuten. Loopt stuk op: studenten die niemand met werk in beeld hebben. Laat hen een stagebegeleider kiezen.
12. De omgekeerde studiekeuzevraag
In plaats van vragen wat ze willen worden, vraag je wat ze zeker niet willen: geen kantoor, geen ploegendienst, niet alleen werken. Uitsluiten is makkelijker dan kiezen, en wat overblijft is bruikbaar. Zie ook de slechtste openingsvraag voor een studiekeuzegesprek en LOB zonder werkboek.
Tijd: 25 minuten. Loopt stuk op: te vroeg in het jaar. Doe dit pas als de groep veilig genoeg is.
Vier dingen die elke mentorles slopen
- Drie werkvormen in één uur. Eén werkvorm met tien minuten nabespreken doet meer.
- Zelf de conclusie trekken. Wat jij samenvat, onthoudt niemand.
- Geen vervolg. Kom de week erna terug op wat er is gezegd, anders was het een spelletje.
- Alleen inzetten als het misgaat. Dan wordt het mentoruur een strafuur.
Conclusie
Goede mentorles ideeën zijn zelden origineel. Ze passen bij de fase waarin je klas zit, ze kosten minder tijd dan je denkt en ze eindigen met iets waar je de week erna op terug kunt komen.
Kies er één uit voor maandag. Niet drie.