Je hebt het al vaker gehoord op een studiedag: studenten met zwakke executieve functies hebben moeite met beginnen, plannen en volhouden. Klopt. Maar daarna komt meestal een losse training, een werkboek of een app, en na de herfstvakantie is alles weer zoals het was.
Dat is geen toeval. Executieve functies groeien door herhaling met echt werk, niet door er een keer over te praten. De plek waar dat echte werk ligt, is jouw les. In dit artikel staan acht werkvormen die elk hooguit vijf minuten kosten, gekoppeld aan de executieve functie die ze trainen, en een manier om de steun daarna weer af te bouwen.
Wil je eerst weten wat executieve functies precies zijn en hoe je ze herkent bij je studenten? Lees dan executieve functies bij mbo-studenten herkennen. Dit artikel gaat over wat je er daarna mee doet.
Waarom trainen in de les beter werkt dan een losse training
Een student die in een apart programma leert plannen, leert plannen in dat programma. Op het moment dat het verslag voor jouw vak vrijdag af moet, is die vaardigheid er niet automatisch bij. Wat wel werkt, is oefenen met de taak die er toch al ligt, op het moment dat het nodig is, en dat wekenlang herhalen.
Het principe daarachter is eenvoudig. Je leent de student tijdelijk de functie die nog niet sterk genoeg is. Jij bepaalt de eerste stap, jij houdt de tijd bij, jij vraagt achteraf wat er werkte. Daarna geef je die functie stap voor stap terug, tot de student het zonder jou doet.
Eén les over plannen verandert niets. Elke les twee minuten plannen wel.
Acht werkvormen, per executieve functie
Je hoeft ze niet allemaal tegelijk in te zetten. Kies er twee die passen bij wat je in je klas het meest ziet, en houd die een periode vol.
1. De startkaart (taakinitiatie)
De meeste tijd gaat verloren in de eerste vijf minuten na "ga maar aan de slag". Zet daarom bij elke zelfstandige opdracht de eerste handeling letterlijk op het bord. Niet "werk aan je verslag", maar "open je document en typ de titel van hoofdstuk 2". Een student die weet wat de allereerste handeling is, begint eerder.
Afbouwen: laat studenten na een paar weken zelf de eerste handeling opschrijven voordat ze beginnen. Jij kijkt alleen nog of het klein genoeg is.
2. Schatten en meten (timemanagement)
Vraag voor een opdracht: "Hoelang denk je dat dit duurt?" Laat het antwoord opschrijven. Na afloop vraag je hoelang het echt duurde. Het verschil is de leerstof. Studenten die structureel te laat inleveren, schatten bijna altijd te laag, en zolang niemand dat zichtbaar maakt, blijven ze dat doen.
Afbouwen: na een paar weken hoef je alleen nog te vragen of de schatting klopte. De meeste studenten gaan dan uit zichzelf ruimer schatten.
3. Achteruit plannen op het bord (planning)
Staat er een deadline over twee weken? Teken dan met de klas de weg ernaartoe, van achteren naar voren. Wanneer moet het af zijn, wat moet er de dag ervoor klaar zijn, en wat betekent dat voor deze week? Vijf minuten, klassikaal, met de echte deadline. Studenten die dit een aantal keren hebben meegemaakt, herkennen het patroon bij hun volgende opdracht.
Afbouwen: laat de klas het zelf tekenen in duo's, daarna alleen.
4. De instructie blijft staan (werkgeheugen)
Een instructie van vier stappen is voor een student met een zwak werkgeheugen na stap twee verdwenen. Dat zie je aan de hand die omhooggaat met de vraag wat ook alweer de bedoeling was. Laat de stappen dus staan: op het bord, op een kaartje, in de opdracht. Dit is geen extra steun, dit is verwijderen van een obstakel dat niets met de leerstof te maken heeft.
Afbouwen: hoeft niet. Ook in een werkomgeving staan procedures op papier.
5. De stopvraag (responsinhibitie)
Voordat een student iets inlevert, stelt hij zichzelf één vaste vraag: "Wat heb ik nog niet gecontroleerd?" Zet die vraag op het inleverformulier of op het bord. Het onderbreekt de reflex om op verzenden te drukken zodra het klaar voelt, en dat is precies de rem die bij veel studenten zwak is.
Afbouwen: haal de vraag na een periode van het bord en kijk of de kwaliteit van het ingeleverde werk hetzelfde blijft.
6. Het doel van deze les (doelgericht doorzettingsvermogen)
Laat elke student aan het begin van een werkles in één zin opschrijven wat er aan het eind af is. Aan het eind van de les kijk je er samen naar. Het doel is niet dat het altijd lukt, maar dat een student leert het verschil te zien tussen bezig zijn en iets afmaken.
Afbouwen: vraag na een aantal weken alleen nog bij de studenten die het nodig hebben. De rest doet het inmiddels in hun hoofd.
7. Plan B (cognitieve flexibiliteit)
Sommige studenten lopen vast zodra iets anders gaat dan verwacht: de bron is niet beschikbaar, het groepje is niet compleet, de opdracht is aangepast. Vraag bij grotere opdrachten vooraf: "Wat doe je als dit niet lukt?" Eén alternatief is genoeg. Een student die van tevoren over een plan B heeft nagedacht, blokkeert minder snel als het nodig is.
Afbouwen: stel de vraag alleen nog bij opdrachten waar je weet dat er iets mis kan gaan.
8. De tweeminutenterugblik (metacognitie)
De laatste twee minuten van de les, op een briefje of digitaal: wat werkte vandaag, en wat doe je de volgende keer anders? Geen cijfer, geen beoordeling. Dit is de werkvorm die het langst duurt voordat hij iets oplevert en die daarna het meest oplevert, omdat studenten leren kijken naar hoe ze werken in plaats van alleen naar wat ze hebben gedaan.
Afbouwen: van elke les naar één keer per week, en daarna naar het einde van een opdracht.
Welke werkvorm heeft jouw klas het meest nodig?
De gratis executieve-functiestest laat per student zien welke functies sterk en zwak zijn. Geen account nodig, in tien minuten ingevuld, met een klasoverzicht voor jou.
Hoe je de steun afbouwt zonder dat het instort
Bij elke werkvorm hierboven staat een afbouwstap, en dat is geen detail. Steun die je nooit afbouwt, wordt een gewoonte van jou in plaats van een vaardigheid van de student. Steun die je te snel weghaalt, laat de student weer vallen op precies het punt waar het eerder misging.
Een bruikbare volgorde is deze. Eerst doe jij het voor, klassikaal, met de echte opdracht. Dan doen studenten het samen, in duo's, en loop jij rond. Daarna doen ze het alleen en kijk jij achteraf. Ten slotte doen ze het alleen en vraag je er alleen nog naar als je ziet dat het misgaat. Reken per stap op twee tot drie weken.
Het moment om terug te schakelen is als de oude klachten terugkomen: te laat inleveren, weer de vraag wat ook alweer de bedoeling was, weer een half uur voordat iemand begint. Dat is geen mislukking, dat is informatie over waar de student nu staat.
Wat niet werkt
Breintrainingsapps en geheugenspelletjes. Studenten worden beter in de app en dat blijft in de app. Een eenmalige workshop over plannen, om dezelfde reden. En uitleggen waarom het belangrijk is, want dat weet de student allang. Wat hij mist, is niet het inzicht maar de herhaling, en die kun jij alleen in je les organiseren.
Ook niet: het alleen inzetten bij de student die opvalt. De werkvormen hierboven zijn kort genoeg om klassikaal te doen, en klassikaal is precies wat ze veilig maakt. Niemand wordt eruit gepikt, en de student die het het hardst nodig heeft, oefent mee zonder dat iemand het ziet.
Veelgestelde vragen
Kun je executieve functies trainen in een gewone vakles?
Ja, en dat werkt beter dan een losse training. Wat een student oefent met de stof van vandaag, neemt hij mee naar de toets van volgende week. Wat hij oefent in een apart programma, blijft vaak in dat programma hangen. De werkvormen in dit artikel kosten hooguit vijf minuten per les.
Hoe lang duurt het voordat je verschil ziet?
Reken op een periode van acht tot tien weken voordat een gewoonte staat, en houd het daarna vol. Executieve functies groeien door herhaling, niet door uitleg. Eén les over plannen verandert niets; elke les twee minuten plannen wel.
Moet ik dit voor de hele klas doen of alleen voor studenten die het nodig hebben?
Voor de hele klas. De werkvormen zijn kort, niemand valt erdoor op en de studenten die het niet nodig hebben, hebben er ook geen last van. Wil je gericht weten wie het meest heeft aan welke werkvorm, laat de klas dan de gratis executieve-functiestest doen.
Helpen breintrainingsapps bij executieve functies?
Nauwelijks. Studenten worden beter in de app, maar die winst verplaatst zich niet naar het verslag dat vrijdag af moet. Oefen daarom met het echte schoolwerk en met de echte deadlines.
Conclusie
Executieve functies trainen in de klas vraagt geen extra programma en geen extra uren. Het vraagt twee werkvormen die je een periode volhoudt, met het werk dat er toch al ligt, en een plan om de steun daarna af te bouwen. Begin met de startkaart en het schatten van tijd, want daar zie je het snelst verschil.
Wil je weten waar je klas staat voordat je begint? Laat je studenten de gratis executieve-functiestest doen. Je krijgt per student een profiel en voor jezelf een klasoverzicht.
Of bekijk de lessenserie executieve functies, waarin deze werkvormen zijn uitgewerkt tot complete lessen.