Coöperatieve werkvormen hebben in het mbo een slechte naam, en vaak terecht. Je zet vier studenten bij elkaar, er werkt er één, er kijken er twee mee en er is er één met zijn telefoon bezig. Dat is geen coöperatief leren, dat is groepswerk met een kans op meeliften.
Het verschil zit in twee dingen: iedereen moet iets te doen hebben dat een ander nodig heeft, en iedereen moet individueel aanspreekbaar zijn op het resultaat. Zolang die twee er zijn, werkt bijna elke vorm. Zodra er één ontbreekt, werkt geen enkele.
Hieronder staan twaalf werkvormen die aan die voorwaarden voldoen, met de duur, waarvoor ze geschikt zijn en de valkuil die je bij een klas van 28 tegenkomt.
Wat coöperatief anders maakt dan groepswerk
Bij gewoon groepswerk krijgt de groep één opdracht en één cijfer. De snelste student is dan het efficiëntst als hij het werk zelf doet, en de rest heeft geen reden om iets anders te vinden. Het systeem beloont meeliften.
Coöperatieve werkvormen halen die logica weg. Elke student krijgt een stukje dat de anderen nodig hebben, of iedereen kan aan het eind gevraagd worden om voor de groep te antwoorden. Daardoor is meedoen de goedkoopste optie in plaats van de duurste.
Een werkvorm werkt niet omdat hij leuk is. Hij werkt omdat niet meedoen ongemakkelijker is dan meedoen.
Dat betekent ook dat je de vorm niet hoeft te verkopen. Je hoeft studenten niet te overtuigen dat samenwerken waardevol is. Je zet de opdracht zo neer dat samenwerken de kortste weg is.
Twaalf werkvormen, met duur en valkuil
Pak er twee of drie uit en gebruik die een blok lang. Een klas die een werkvorm kent, doet hem in de helft van de tijd, en dan pas levert hij tijd op in plaats van dat hij tijd kost.
1. Denken, delen, uitwisselen (3 minuten)
Je stelt een vraag. Iedereen denkt eerst dertig seconden zelf na en schrijft iets op, daarna overleggen ze in duo's, daarna vraag je twee duo's om hun antwoord. De denktijd vooraf is het hele punt: zonder die dertig seconden praat alleen de student die altijd praat.
Valkuil: de denktijd overslaan omdat het stil en ongemakkelijk is. Houd hem vol, ook als het lang voelt.
2. Genummerde koppen (5 minuten)
Groepjes van vier, iedereen krijgt een nummer. Je stelt een vraag, de groep zorgt dat iedereen het antwoord kan geven, en daarna noem je een nummer. Die student antwoordt voor de groep.
Valkuil: altijd nummer 1 of 2 vragen. Gebruik een dobbelsteen of een willekeurige nummergenerator, anders weten ze binnen twee weken dat nummer 4 nooit aan de beurt komt.
3. Tweetalcheck (4 minuten)
Twee duo's vormen een viertal. Duo A maakt de opdracht hardop terwijl duo B meekijkt en alleen vragen mag stellen. Daarna wisselen ze. Goed bij rekenopdrachten en bij stappenplannen waar de volgorde belangrijk is.
Valkuil: duo B gaat verbeteren in plaats van vragen stellen. Spreek af dat B alleen zinnen mag zeggen die met een vraagwoord beginnen.
4. Placemat (10 minuten)
Een A3 per groepje, verdeeld in vier vakken met een cirkel in het midden. Iedereen schrijft eerst in zijn eigen vak, daarna komt in het midden wat ze gemeenschappelijk hebben. Geschikt voor meningsvragen en voor het ophalen van voorkennis.
Valkuil: te grote vraag. 'Wat vind je van AI?' levert niets op, 'Noem drie dingen die AI voor jouw beroep verandert' wel.
5. Experts (jigsaw, 25 minuten)
Je knipt de stof in vier stukken. Elke student wordt expert op één stuk, overlegt eerst met de andere experts van dat stuk, en gaat daarna terug naar zijn eigen groep om het uit te leggen. De enige manier om alles te weten is luisteren naar de rest.
Valkuil: stukken van ongelijke zwaarte. Verdeel de stof zo dat elk stuk in vijf minuten uit te leggen is, anders loopt één expert vast en heeft die groep een gat.
6. Mix en ruil (6 minuten)
Iedereen krijgt een kaartje met een vraag en het antwoord op de achterkant. Studenten lopen rond, overhoren elkaar in tweetallen en ruilen daarna van kaartje. In zes minuten heeft iedereen tien vragen gehad en tien keer uitgelegd.
Valkuil: te veel ruimte nodig. Werkt ook tussen de tafels, mits je vooraf zegt dat ze aan de zijkanten blijven.
7. Binnen- en buitenkring (8 minuten)
Twee kringen, gezichten naar elkaar. De binnenkring stelt de vraag, de buitenkring antwoordt, daarna schuift de buitenkring twee plaatsen door. Sterk om een begrip vijf keer achter elkaar te laten uitleggen aan iemand anders.
Valkuil: bij 28 studenten duurt het opstellen langer dan de werkvorm. Doe het in twee groepen van veertien, of houd hem voor een lokaal met ruimte.
8. Zoek iemand die (7 minuten)
Een blad met negen vakjes, in elk vakje een vraag of een stelling. Studenten zoeken per vakje iemand die het antwoord weet en laten die persoon tekenen. Goed aan het begin van een nieuw thema of in de eerste week met een nieuwe klas.
Valkuil: iedereen loopt naar zijn eigen vriendengroepje. Zet erbij dat elke naam maar één keer op het blad mag staan.
9. Rondpraat met de klok mee (5 minuten)
In het groepje geeft iedereen om de beurt één antwoord, met de klok mee, zonder tussendoor te reageren. Pas als iedereen geweest is, mag er gediscussieerd worden. Hiermee haal je de student binnen die anders niets zegt.
Valkuil: een student die past. Spreek af dat passen mag, maar dat je dan aan het eind van de ronde terugkomt.
10. Duo-quiz met foute antwoorden (10 minuten)
Duo's maken drie meerkeuzevragen over de stof, waarvan de foute antwoorden geloofwaardig moeten zijn. Daarna wisselen ze met een ander duo. Het bedenken van geloofwaardige foute antwoorden vraagt meer begrip dan het beantwoorden van een vraag.
Valkuil: vragen over jaartallen en definities. Vraag om vragen die met 'waarom' of 'wat gebeurt er als' beginnen.
11. Vier hoeken (6 minuten)
Vier standpunten, vier hoeken van het lokaal. Studenten gaan staan bij het standpunt dat het dichtst bij hun mening ligt en leggen aan iemand in dezelfde hoek uit waarom. Daarna mag per hoek iemand het kort toelichten. Werkt goed bij burgerschap en bij beroepsethiek.
Valkuil: studenten lopen achter hun vrienden aan. Laat ze eerst op een briefje schrijven welke hoek ze kiezen, en dan pas opstaan.
12. De laatste twee minuten (2 minuten)
Aan het eind van de les schrijft iedereen op een briefje één ding dat hij begrijpt en één vraag die nog open staat. Duo's wisselen de briefjes en proberen elkaars vraag te beantwoorden. Wat overblijft neem jij mee naar de volgende les.
Valkuil: de briefjes niet gebruiken. Doe je er niets mee, dan schrijven ze de tweede keer 'geen vraag'.
Welke werkvorm past bij jouw klas?
Met het klasrapport van ClassPilot zie je hoe de groep in elkaar zit voordat je groepjes maakt: wie samenwerkt met wie, en wie er buiten valt.
Bekijk het klasrapportBij een klas van 28
De meeste werkvormen zijn beschreven voor een klas van twintig in een lokaal met ruimte. In een vol lokaal met vaste tafels vallen de loopvormen af, en dat is minder erg dan het lijkt. Denken, delen, uitwisselen, genummerde koppen, tweetalcheck, placemat, rondpraat en de laatste twee minuten werken allemaal zonder dat er iemand opstaat.
Wat je wel nodig hebt is een vaste manier om groepjes te maken. Zelf laten kiezen kost drie minuten en levert steeds dezelfde groepjes op. Een vaste indeling die je per periode wisselt, kost nul minuten en geeft je de kans om studenten te mengen die anders nooit samenwerken.
- Hang de indeling bij de deur, zodat studenten meteen op de goede plek gaan zitten.
- Wissel per periode, niet per les. Een groepje heeft twee of drie keer nodig om te gaan werken.
- Zet de student die altijd buiten valt niet in het sterkste groepje, maar bij één rustige student die hem niet overneemt.
Waarom het bij jou misschien niet werkte
Verreweg de meeste mislukte werkvormen hebben dezelfde oorzaak: de opdracht was te groot voor de tijd. Een werkvorm van vijf minuten met een vraag waar twintig minuten denkwerk in zit, loopt vast, en dan lijkt het alsof de vorm niet deugt.
De tweede oorzaak is dat het resultaat nergens terechtkomt. Als je na de placemat niet met de klas doorneemt wat er in het midden stond, hebben studenten door dat het bezigheid was. De derde keer doen ze niet meer mee.
De derde oorzaak is te veel afwisseling. Een nieuwe werkvorm elke les betekent elke les vijf minuten uitleg over de vorm zelf. Kies er twee of drie, herhaal ze tot ze vanzelf gaan, en breid daarna pas uit.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen coöperatieve en activerende werkvormen?
Activerende werkvormen zorgen dat studenten iets doen in plaats van luisteren. Coöperatieve werkvormen zijn een soort daarvan, waarbij studenten elkaar nodig hebben om het af te krijgen. Elke coöperatieve werkvorm is activerend, andersom niet.
Hoeveel tijd kost een werkvorm echt?
De eerste keer ongeveer het dubbele van wat erbij staat, omdat je de vorm moet uitleggen. Vanaf de derde keer haal je de genoemde tijd. Dat is meteen de reden om er weinig te gebruiken en die vaak.
Werken coöperatieve werkvormen ook bij een klas die niets doet?
Juist daar, mits je begint met korte vormen waarbij niemand hoeft op te staan of voor de klas hoeft te praten. Denken, delen, uitwisselen en de laatste twee minuten zijn daarvoor de veiligste ingang.
Hoe voorkom ik meeliften?
Zorg dat elke student individueel aanspreekbaar is op het resultaat. Genummerde koppen doet dat door het toeval, de jigsaw doet het doordat niemand anders jouw stuk kent. Een gezamenlijk cijfer zonder zo'n mechanisme nodigt uit tot meeliften.
Tot slot
Begin met twee werkvormen en gebruik ze een blok lang. Denken, delen, uitwisselen voor het ophalen van kennis, en genummerde koppen voor het controleren ervan. Als die twee lopen zonder uitleg, voeg je er een derde aan toe.
Wil je eerst zien hoe de verhoudingen in je klas liggen voordat je groepjes maakt, kijk dan naar het klasrapport van ClassPilot.